Reactie op motie voorwaardelijk basisinkomen Amsterdam Zuid

4

Het basisinkomen staat in toenemende belangstelling. Op verschillende platforms op internet wordt dit idee bepleit en op lokaal niveau wordt gewerkt aan experimenten. Ook binnen de PvdA leeft breed interesse in dit radicaal andere concept van arbeid en sociale zekerheid, getuige drie moties die werden ingediend op het congres in januari dit jaar. Motie 31gaat over een onvoorwaardelijk basisinkomen en werd door het congres afgewezen. Motie 37 betreft onderzoek naar een voorwaardelijk basisinkomen en werd aangenomen, evenals motie 50 die oproept tot meer ruimte voor gemeenten om te experimenteren met meer bijverdiencapaciteit voor mensen die afhankelijk zijn van een uitkering.

Een belangrijk achterliggende idee bij deze moties is het vooruitzicht van structureel krimpende werkgelegenheid als gevolg van snelle digitalisering en robotisering en de verzwakking van de positie van de werknemer/zelfstandige die daar het gevolg van is. Dit vraagt ook om heroverweging van het arbeidsethos, plat gezegd van het adagium ‘wie niet werkt of niet wil werken zal niet eten’. Daarnaast is er zorg over de ‘almaar uitdijende controlemechanismen van de uitkeringsbureaucratie’, die een steeds groter deel van de rijksbegroting zouden opslokken.

Hieronder de visie van het partijbestuur en de Tweede Kamerfractie hoe verder te gaan met deze moties.

In het kort zijn de conclusies:

  • Het streven naar betaald werk voor allen blijft wat ons betreft de hoogste prioriteit. Werk is immers meer dan enkel een inkomen. Het draagt bij aan zelfrespect, ontplooiing en sociale contacten door ontmoeting op de werkplek.
  • We zien de terechte zorgen die schuilgaan achter de moties over de verzwakte positie van werknemers en zelfstandigen op een snel veranderende arbeidsmarkt. En ook dat de bestaande regelingen voor de sociale zekerheid te ingewikkeld zijn geworden en steeds minder aansluiten bij hedendaagse leefpatronen met als gevolg dat mensen steeds vaker dreigen weg te zakken in een bureaucratisch moeras.
  • We onderkennen dat de verzwakkende positie van met name mensen met een beperkte opleiding aandacht verdient maar dan niet in de richting van een basisinkomen maar in een perspectief op volledige werkgelegenheid. Juist omdat werk voor ons meer is dan een inkomen mogen we niet toestaan dat dat perspectief ontbreekt voor grote groepen in de samenleving.
  • We onderkennen dat ons sociale stelsel zich moet aanpassen en vernieuwen en dat daarbij de ervaringen die worden opgedaan met lokale experimenten met het basisinkomen voor  mensen in bijvoorbeeld een uitkeringssituatie van groot belang zijn. Deze steunen we en waar nodig willen we wettelijke belemmeringen zoveel mogelijk wegnemen. We willen een sociale zekerheid die niet belemmert maar mensen juist steunt – ook als dat bijvoorbeeld gaat over deeltijdwerk en het starten van een bedrijfje vanuit een uitkeringssituatie.
  • Dat we tot slot op grond van bovenstaande overwegingen op dit moment geen toegevoegde waarde zien in landelijke wetgeving op weg naar een (voorwaardelijk) basisinkomen voor alle ingezetenen van ons land.

 

Onvoorwaardelijk basisinkomen
Motie 31 roept op tot een onvoorwaardelijk basisinkomen. Deze werd weliswaar door het partijbestuur ontraden en vervolgens afgewezen, maar verdient toch nadere aandacht omdat een grote minderheid deze steunde. We lichten hieronder uitgebreider toe waarom we deze motie hebben ontraden.

De gedachte van een basisinkomen is betrekkelijk wezensvreemd aan de sociaal-democratische traditie. Ons doel is altijd geweest volledige werkgelegenheid en voor zover dat niet mogelijk blijkt, het bieden van fatsoenlijke bestaanszekerheid voor degenen die om wat voor reden dan ook niet in staat zijn om te werken. Impliciet in dit laatste zit de gedachte van wederkerigheid; tegenover het recht op inkomensondersteuning staat ook de plicht om in principe werk te aanvaarden en mee te betalen aan goede collectieve voorzieningen. Dit vanuit de notie dat een vitale en legitieme verzorgingsstaat staat of valt bij een breed draagvlak waaraan iedereen naar vermogen bijdraagt. En waarom volledige werkgelegenheid als ideaal? Dat moet niet begrepen worden als een soort religieus arbeidsethos. Het heeft meer te maken met emancipatie, met de idee dat mensen via hun werk sociale contacten leggen, hun vaardigheden binnen een arbeidsorganisatie kunnen ontwikkelen en structuur aanbrengen in hun leven.

De vraag is natuurlijk of dit gedachtengoed nog steeds geldig is in een wereld van robotisering en snelle technologische vooruitgang. Wij denken vooralsnog van wel, maar daarover later meer.

Hoe dan ook, het is goed te beseffen dat een onvoorwaardelijke basisinkomen van oorsprong meer een liberaal dan een sociaal democratisch concept is. Achterliggende agenda vanuit Angelsaksische perspectief is dat een onvoorwaardelijk basisinkomen de weg baant naar een waarlijk ongestoord spel van de vrije markt. Heb je eenmaal een basisinkomen voor iedereen dan kun je alle ballast van de moderne verzorgingsstaat afschaffen. Collectieve en verplichte verzekeringen tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, ouderdom, minimumlonen, ontslagrecht, aanvullende pensioenen, gereguleerde werktijden en arbeidsomstandigheden, dat allemaal kan weg. Want er is toch een basisinkomen? Wie niet wil werken hoeft immers niet. En iedereen kan zich toch desnoods individueel op de private markt bijverzekeren? Kortom, wie zich bekeert tot het basisinkomen voor iedereen dient te beseffen dat het in politiek opzicht de deur opent naar afbraak van alle overige bescherming die onze verzorgingsstaat biedt.

Natuurlijk hoeft dit nog niet zo erg te zijn als het basisinkomen maar hoog genoeg is. Maar wat is ‘hoog genoeg’? We lopen dan tegen het dilemma aan dat een basisinkomen òfwel te laag is om iedereen een fatsoenlijk bestaan te garanderen òfwel te hoog om betaalbaar te kunnen zijn.

Hoe scherp ligt dat dilemma?
Er zijn modelberekeningen bekend van de effecten van een onvoorwaardelijk basisinkomen (CPB, Reinventing the welfare state 2006, De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid 2015). Ook zijn er aardige ‘back of the envelope’ berekeningen die een idee geven van de ex ante betaalbaarheid, zoals van de econoom Robin Fransman. Hij becijfert dat een basisinkomen van 760 euro per maand voor iedereen (en voor kinderen onder de 20 jaar de helft) 121 miljard euro kost. Daarbij is dan inbegrepen 10 miljard aan extra bijzondere bijstand voor mensen die echt niet kunnen bijverdienen en 12 miljard voor gratis kinderopvang. Om dat te financieren moet je alle sociale uitkeringen afschaffen, dus behalve de bijstand ook de WW, WIA, AOW en uitkeringen voor ziekte. Als je dan ook nog alle toeslagen, heffingskortingen en aftrekposten (ook hypotheekrente en huurtoeslag) schrapt, dan houd je nog een klein gat over van een paar miljard.

Het is de vraag of dit nou een goede ruil is: tegenover een karige bodemzekerheid staat het wegvallen van alle vangnetten die we juist met zoveel moeite in al die jaren hebben opgebouwd.

Waarom pakt bovenstaande statische rekensom zo teleurstellend uit voor de hoogte van het individuele basisinkomen? Dat komt vooral door de onvoorwaardelijkheid, iedereen krijgt het, zonder inkomens- en vermogenstoetsen. Je geeft dus ook geld aan mensen die dat niet nodig hebben. Lees: de renteniers, de studenten, de niet werkende partners van de tandarts, van de directeur enz. Dat zijn nog steeds grote aantallen mensen.

Dynamische effecten
In bovenstaande rekensom is geen rekening gehouden met effecten op de keuzes die mensen maken. Natuurlijk kan een basisinkomen hoger worden als dat per saldo leidt tot meer werk (en dus meer belastinginkomsten). Immers, met een basisinkomen is iedereen vrij om bij te verdienen, zonder daarvoor financieel afgestraft te worden door UWV of gemeente. Dat positieve effect zal er zeker zijn, er zijn wellicht duizenden zo niet tienduizenden mensen die nu nog een uitkering hebben en die een basisinkomen als bevrijdend zullen ervaren en meer gaan werken dan wel een eigen onderneming starten.

Maar er zijn ook sterke prikkels die omgekeerd werken. Dat geldt met name voor hen die nu in deeltijd werken. Miljoenen mensen, nog steeds vooral vrouwen, hebben een deeltijdbaan. Uit onderzoek van onder meer het CPB blijkt dat extra inkomen een extreem belangrijk motief is voor deeltijdwerk. Als al die deeltijdwerk(st)ers een basisinkomen krijgen, wordt de prikkel om bij te verdienen een stuk minder. Dat een deel van deze deeltijders minder of helemaal niet meer gaan werken is misschien mooi voor deze mensen zelf en in het bijzonder voor mensen met kinderen, het is slecht voor het toch al wankele financiële draagvlak onder het basisinkomen.

Een ander probleem is dat een onvoorwaardelijk basisinkomen geen rekening houdt met de samenstelling van huishoudens. 760 euro per maand is echt te weinig voor een alleenstaande om een huishouden te voeren als tegelijk ook de huur- en zorgtoeslag wordt afgeschaft. Maar voor een huishouden van vier personen lijkt een basisinkomen van 4 x 760 euro weer erg royaal. Een onvoorwaardelijk individueel basisinkomen biedt dus – paradoxaal- minder bestaanszekerheid voor het individu dan het bestaande systeem van sociale zekerheid dat het draagkrachtbeginsel van huishoudens als uitgangspunt heeft.

Tenslotte is er een probleem met de zogenoemde marginale belastingdruk, de belasting op elk extra gewerkt uur. De lonen die de overheid en bedrijven betalen aan hun werknemers zijn aanvullend op het basisinkomen. Dat betekent dat een kleiner deel van de verdiende inkomens via de (arbeids)markt tot stand komen en dat daarmee dus ook de grondslag voor inkomensheffingen krimpt. Om ongeveer dezelfde belastingopbrengsten te halen moeten dus de belastingtarieven over de brede linie fors omhoog, tot ruim boven de 50% vanaf het eerste uur voor met werk verdiende inkomen.

Conclusie: Wij zien geen sterke argumenten om, net na de hervormingen die we nu achter de rug hebben, ons hele systeem van sociale zekerheid opnieuw op de schop te nemen. Vervanging van de sociale zekerheid door een basisinkomen heeft ingrijpende inkomensgevolgen voor grote groepen mensen die van de bestaande regelingen afhankelijk zijn, terwijl het doel, bestaanszekerheid voor het individu, niet wordt bereikt.

Voorwaardelijk basisinkomen
Motie 37 pleit voor onderzoek naar een voorwaardelijk basisinkomen en wijkt daarmee sterk af van motie 31. De voorwaarden betreffen een (minimum)leeftijd, startkwalificatie en maatschappelijke dienstplicht. Wèl blijft het basisinkomen individueel en vervangt het alle huidige uitkeringen voor werkloosheid studie en ouderdom, maar niet die voor ziekte en invaliditeit. Daarenboven worden extra toeslagen mogelijk gemaakt voor ‘wie vanwege een beperking geen enkele verdienmogelijkheid heeft’.

Een principieel verschil met motie 31 is dat in deze motie het idee van onvoorwaardelijkheid wordt verlaten. Impliciet in de noties ‘startkwalificatie’ en ‘maatschappelijke dienstplicht’ zit de visie dat mensen aangesproken mogen/moeten worden op hun verantwoordelijkheid om naar vermogen bij te dragen aan de samenleving. In die zin is er niet echt veel verschil met ons huidige stelsel van voorwaardelijke sociale zekerheid. De toegevoegde waarde zou dan moeten zijn dat een voorwaardelijk basisinkomen een aanzienlijke besparing oplevert in de hele bureaucratie rond uitkeringen en toeslagen.

Die besparing is echter beperkt want de uitvoeringskosten bedragen slechts enkele procenten van de uitkeringen, waarvan op zijn beurt weer een klein deel uit handhaving en controle bestaat. Het is de vraag of een voorwaardelijk basisinkomen die kosten wel echt substantieel omlaag krijgt. Want wie komt in aanmerking voor extra toeslagen en wie niet? Op wie is de maatschappelijke dienstplicht van toepassing en op wie niet? Ook dat moet allemaal vastgesteld en gecontroleerd worden.

Ondertussen blijven ook aan het voorwaardelijke basisinkomen de nadelen kleven die eerder zijn besproken: grote inkomensgevolgen voor hen die afhankelijk zijn van de bestaande vangnetten, aanzienlijke ‘dead weight loss’ door hogere belastingtarieven op arbeid over de brede linie, weglek van geld naar mensen die dat niet nodig hebben en te weinig perspectief op een basisinkomen dat bestaanszekerheid biedt.

Een basisinkomen is dus niet de oplossing voor de in de moties 31 en 37 gesignaleerde problemen. Wat zijn die problemen? Blijkens de moties ten eerste de dreiging van robotisering en digitalisering en ten tweede de ‘uitdijende controlemechanismen’ van de uitkeringsbureaucratie. Daar gaan we hieronder op in.

Robotisering
Een belangrijke overweging bij de motie die oproept tot het voorwaardelijke basisinkomen is dat de werkgelegenheid structureel krimpt door automatisering en robotisering. Als er domweg steeds minder werk komt, dan is een sollicitatieplicht inderdaad slechts beklemmend en demotiverend voor de betrokkenen. Als het werkelijk zo zou zijn dat we naar een tijdperk gaan van permanente massale werkloosheid en structureel dalende vraag naar arbeid, dan is ons ‘arbeidsethos’ inderdaad aan herijking toe en worden de argumenten voor een basisinkomen navenant sterker.

Naar ons idee is het echter nog lang niet zover. Ja, de vraag naar arbeid verschuift inderdaad naar hoog opgeleiden, maar die trend gaat in Nederland betrekkelijk langzaam, blijkt uit een recente studie van het CPB.

Zelfs na zeven jaar crisis ligt de arbeidsdeelname in Nederland nog steeds ruim boven het niveau van het begin deze eeuw. Inmiddels groeit het aantal banen weer met ruim 100.000 per jaar. En ook de werkloosheid begint sneller te dalen. In Amerika, waar het herstel twee jaar eerder inzette dan in Europa, ligt de werkloosheid alweer rond de 5% en klinken –gelukkig- zelfs weer de eerste geluiden over krapte op de arbeidsmarkt en opwaartse druk op de lonen.

We hebben eerder massawerkloosheid gehad, begin jaren tachtig. Toen dacht ook bijna iedereen dat die nooit meer weg zou gaan. Maar aan het einde van het tweede paarse kabinet was de structurele werkloosheid vrijwel verdwenen en bereikte het aantal openstaande vacatures een historisch record. Er is geen echte goede reden waarom Europa en in het bijzonder de sociaal democratie zich zou moeten neerleggen bij massawerkloosheid, temeer omdat Europa meer met vergrijzing te maken krijgt dan Amerika.

Dit neemt niet weg dat de zwakke positie van mensen met lage en middelbare opleiding op de arbeidsmarkt urgent om aandacht vraagt. Het is dus (nog) niet zo dat de digitalisering en robotisering tot massale werkloosheid leidt, maar wèl dat door de oprukkende nieuwe technologie het werk van lager betaalden onzekerder wordt (vaker flexcontracten), dat de lonen van lager betaalden relatief achterblijven en dat kapitaalbezitters en hoogopgeleiden hun beloning harder zien stijgen. Die scheefgroei, met alle gevolgen voor de samenleving van dien, dàt was de essentie van de lezing van minister Asscher over de robotisering en digitalisering in september vorig jaar.

Het antwoord daarop ligt, zoals ook Asscher betoogt, in het investeren in vaardigheden van mensen, in het tegengaan van oneigenlijke flexconstructies en in het goedkoper maken van arbeid. Dat laatste kan door de lasten op arbeid te verlagen en te verschuiven naar belastingen op milieu, consumptie en kapitaal. De belastingmaatregelen die volgend jaar ingaan zijn een eerste stap in die richting; het overgrote deel van het pakket van 5 miljard gaat naar lagere lasten op arbeid, naar betere kinderopvang en naar gerichte verlaging van loonkosten voor lager betaalde banen. Die agenda moet ook na 2016 een vervolg krijgen.

2 Uitkeringsbureaucratie en veranderende leefpatronen
De charme van een basisinkomen is de eenvoud. Iedereen heeft er recht op, geen gedoe meer met formulieren, vermogenstoetsen of tandenborstels tellen. Die argumenten winnen aan kracht naarmate leefpatronen veranderen en de sociale zekerheid steeds ingewikkelder wordt.

De laatste jaren ervaren we steeds indringender de knelpunten. Allereerst het systeem van toeslagen, ingevoerd door het kabinet Balkenende 2, dat binnen een decennium totaal is vastgelopen. Zorgtoeslag, huurtoeslag en kinderopvangtoeslag, ieder kennen ze hun eigen voorwaarden, inkomensgrenzen en vermogenstoetsen. Het systeem van vooruitbetalingen, op basis van schattingen en vaak met onbegrijpelijke terugvorderingen jaren achteraf , is uitgelopen op een ramp. We zien steeds vaker dat toeslagschulden het voorportaal zijn van de schuldhulpverlening, met de belastingdienst als meest meedogenloze eiser. Idem dito de drama’s met de persoonsgebonden budgetten in de zorg. En het wordt steeds erger omdat de fraudegevoeligheid van de systemen dwingen tot allerlei extra maatregelen, die de goedwillenden dan weer confronteren met nog meer bureaucratie.

Anno 2015 zijn we in een situatie beland dat juist de allerzwaksten in de samenleving het meest te maken hebben met moeilijke formulieren van allerlei instanties. Het systeem van toeslagen en ander inkomensondersteunende regelingen is een ondoordringbaar woud geworden waarin zelfs deskundigen de weg niet meer weten.

Toeslagen, vermogenstoetsen, en ook mantelzorgboetes, kwaliteitskortingen, het is allemaal erg ingewikkeld geworden. En inderdaad, heb je eenmaal een basisinkomen voor iedereen, dan zijn veel van die knelpunten in een keer opgelost.

Beleid, onderzoek en experimenten
De pleidooien voor een basisinkomen weerspiegelen dus indringend de problemen op de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid. Maar daar valt binnen het bestaande systeem veel aan te doen: verlagen van de lasten op arbeid, investeren in de kwaliteit van de arbeid en drastische maatregelen om onze sociale regelingen transparanter en eenvoudiger te maken.

Maar we moeten zeker niet uitsluiten dat de snelle veranderingen in technologie en leefpatronen vroeger of later ook vragen om diepgaander en meer principiële stelselwijzigingen. Vandaar dat experimenten met vormen van een basisinkomen volle steun verdienen. We weten nog steeds erg weinig van de gedragseffecten. Gaat een basisinkomen inderdaad bevrijdend werken en zullen mensen hierdoor actiever worden en meer risico’s nemen? Als mensen meer ruimte krijgen om bij te verdienen, gaat dat werken als een opstap naar minder uitkeringsafhankelijkheid of krijg je verdringingseffecten? Kun je niet kijken hoe je mensen beloont die zorgtaken op zich nemen of die zich anderszins inzetten voor de samenleving? Geeft de opkomst van de ‘deeleconomie’ aanleiding om de regels voor bijverdienen bij een uitkering te versoepelen? Experimenten kunnen veel kennis opleveren voor de vernieuwing van ons sociale stelsel. Het zijn stuk voor stuk lastige vraagstukken. De rode lijn is evenwel te onderkennen dat ons stelsel van sociale zekerheid zich moet aanpassen in een wereld van snelle veranderingen en meer variëteit in hoe mensen hun leven willen inrichten. We zullen werkende weg en al experimenterend naar oplossingen moeten zoeken. Een basisinkomen is daarvoor een te bot en te draconisch middel.

Delen.

Over de auteur

Ed Groot

Ed Groot is lid van de Tweede Kamer voor de PvdA.

  • janske

    Wat is de Participatie waard, door de Participatie komen meer mensen in armoe terwijl ik steeds weer roep dat de werkgevers de arbeidsmarkt frusstreerd.

  • Joop Lahaise

    Beste Ed, allereerst mijn complimenten voor dit uitvoerige antwoord op de moties en dan m.n. op motie 37 van mijn hand. Ik erken zonder meer dat het basisinkomen problemen opwerpt. Een stelsel dat louter voordelen kent, bestaat niet. Sterker, juist de imperfectie van het huidige systeem inspireert mij tot het nadenken over een alternatief in de vorm van een basisinkomen.

    De scheve inkomenspositie van individuen met alléén basisinkomen versus niet werkende samenwonende volwassenen (bijvoorbeeld vier keer een basisinkomen achter één voordeur) is een door jou genoemd nadeel van het BI-stelsel. De vraag is of dit om veel gevallen zal gaan. Ik ga ervan uit dat de meeste mensen om meer dan één, financiële reden werk verkiezen boven niets doen en dat niet iedereen zichzelf zijn leven lang vrijwillig met anderen opsluit, of het nu zijn familie is of een commune. Ook ga ik ervan uit dat wij sociaal-democraten in geen enkel systeem mensen ‘aan hun lot zullen overlaten’, ook al is dat lot zogenaamd zelfgekozen. Overigens kan werk veel vormen aannemen: een periode waarin iemand mantelzorg verricht, studeert, voor het gezin zorgt, een onderneming probeert op te starten of zich als kunstenaar ontwikkelt mag wat mij betreft ook als werk worden gezien. Over de vaak te enge definitie van arbeid wil ik het straks nog hebben.

    Omdat het argument van meerdere basisinkomens in één huishouden vaak voorbij komt, sta ik daar nog even bij stil. Het basisinkomen vergt veel economische veranderingen. Het verdwijnen van nagenoeg alle toeslagen, inclusief de huurtoeslag, zal grote gevolgen hebben voor de huurmarkt. Het zou interessant om dat eens te onderzoeken. Zeker in de grote steden zal het niet eenvoudig worden om met vier volwassenen tegen een bescheiden huur een voldoende grote woning te betrekken. Het aantal mensen dat met een netto inkomen van vier keer het basisinkomen één woning deelt, zal erg klein zijn, zo is mijn verwachting. Daarentegen zullen meer mensen – denk aan gepensioneerden en studenten – ervoor kiezen om met z’n tweeën een woning te delen, zonder elkaars partner te zijn. Mogelijk draagt het basisinkomen er op die manier aan bij dat er in de grote steden veel woningen vrijkomen en vormt het een alternatief voor het doorgeschoten individualisme, vaak tegen wil en dank.

    Het probleem lijkt sterk te zitten in de manier waarop we arbeid definiëren. Het is daarom extra spijtig dat jij – niet als enige in onze partij – het basisinkomen een van oorsprong liberaal concept noemt. Daarin zit een afwijzing op voorhand. In het oorspronkelijke liberalisme zat overigens veel goeds, waar ook de sociaal-democraten inspiratie uit hebben gehaald. Denk aan liberalen als Thorbecke en Van Houten. Die waren toch echt van een ander kaliber dan onze huidige VVD-vrinden, waarmee wij momenteel het land regeren, tot frustratie van een aanzienlijk deel van onze aanhang. Het wegzetten van het basisinkomen in een voor menig PvdA’er verdachte ideologische hoek doet geen recht aan het concept, in al zijn uitwerkingsvarianten, en zeker niet aan de vele pleitbezorgers ter linkerzijde, tot aan onze echte vrienden bij GroenLinks aan toe.

    Een flauwe reactie mijnerzijds zou zijn om het streven naar volledige werkgelegenheid weg te zetten als een kronkel van uiteenlopende ideologieën, inclusief enkele zeer dubieuze. Dat zal ik dan ook niet doen, wel constateer ik dat de werkloosheid in ons land al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw aanzienlijk is, enkele kortstondige economische bloeiperiodes daargelaten – bijvoorbeeld die van eind jaren negentig, op de top van de neoliberale zeepbel en met desondanks dure werkgelegenheidsprojecten (Melkert) vanuit de overheid om moeilijk bemiddelbaren aan het werk te krijgen. Geloof in volledige werkgelegenheid veronderstelt een sterk vertrouwen in de (arbeids)markt, een vertrouwen dat steeds meer partijgenoten met recht en reden zijn kwijtgeraakt. En waar die markt faalt, moet de overheid te hulp schieten. Dat laatste is loffelijk maar stuit helaas steeds harder op de realiteit van een kleine, armere overheid die vooral bezuinigt.

    Bij die realiteit hoort ook het gegeven dat op dit moment in een rijke, bloeiende stad als Amsterdam 1 op de 4 inwoners in armoede leeft. Dat zijn ongekende cijfers. Tijdens de achter ons liggende financiële/economische crisis was dat 1 op de 5. De sociale zekerheid, die op het spel zou staan als we het basisinkomen omarmen, kalft sinds de jaren tachtig gestaag af. Het gevolg is een groeiend leger armen, waar geen werk voor is behalve in de vorm van onbetaald of onderbetaalde arbeidsparticipatie, reïntegratie, tegenprestatie etc. Om nog maar te zwijgen over het leger aan mensen met problematische schulden, niet zelden het gevolg van het huidige ingewikkelde sociale en fiscale stelsel.

    Hoe heilig is arbeid? Ook voor mij en voor iedere voorstander van het basisinkomen geldt dat zinvol en liefst goed beloond werk immense voldoening heeft, en daarom door de meeste mensen altijd zal worden nagestreefd. Maar werk zonder voldoende beloning frustreert vooral, tenzij iemand bewust van een beloning afziet (vrijwilligerswerk, mantelzorg, kunst etc.) of daar lage prioriteit aan geeft.

    De aanname is steeds dat veel meer mensen dan nu er met het basisinkomen voor zullen kiezen om achterover te leunen. Ik zie daar enkele aanwijzing voor, eerder voor het tegendeel. Naast de inerte voordelen van arbeid (zelfverwezenlijking, waardering oogsten, sociaal netwerk, iets voor een ander en de samenleving doen etc.) geldt ook bij het basisinkomen dat alleen zij die extra inkomsten genereren in materiële zin vooruitgang kunnen boeken.

    Het is mijn overtuiging dat een basisinkomen mensen eerder aanzet om binnen hun vermogen betaald werk te aanvaarden; er zal immers geen sprake meer zijn van een armoedeval en zeker voor zogeheten ‘kleine baantjes’ zullen de werkgeverslasten een stuk lager uitpakken. Het basisinkomen creëert naar alle waarschijnlijk juist banen, die nu niet worden vervuld omdat ze te duur zijn en voor werknemers niet lonend genoeg.

    Altijd teveel of te weinig basisinkomen. Die stelling is alleen juist als je ervan uitgaat dat iedereen alleen een basisinkomen geniet en niet aanvullend gaat verdienen. Juist door het ontbreken van allerlei belemmeringen biedt het basisinkomen tal van mogelijkheden om extra inkomen te genereren, van kleine bijbaantjes tot hard werken, van samenwonen en zaken delen – ook participerend in de zogenaamde deeleconomie van AirBnB etc. – tot ondernemen. Teveel zal ook niet vaak voorkomen, zeker niet wanneer we – zoals eerder betoogd – naar te verwachten effecten op terreinen als de woningmarkt en de zorg kijken. Er blijven voldoende (m.n. fiscale) knoppen over om eventuele excessen de kop in te drukken. In mijn ideeën voor een basisinkomen ga ik overigens uit van €1.000,- per volwassene (v.a. 18 jaar voorwaardelijk en vanaf 23 jaar onvoorwaardelijk). Kindertoeslag zou – in een andere vorm – kunnen blijven, evenals uiteraard de ondersteuning van gehandicapten zonder enige verdienmogelijkheid, waarbij ik vooral denk aan ondersteuning in natura (woningaanpassingen, huurcompensatie, hulpmiddelen, zorg etc.). Ook blijven mensen de mogelijkheid houden om zich particulier voor allerlei zaken bij te verzekeren.

    Jij stelt dat de pleidooien voor een basisinkomen indringend de problemen op de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid weerspiegelen. En dat binnen het bestaande systeem daar veel aan te doen valt: verlagen van de lasten op arbeid, investeren in de kwaliteit van de arbeid en drastische maatregelen om onze sociale regelingen transparanter en eenvoudiger te maken. Dat zijn loffelijke voornemens; helaas is de realiteit van de afgelopen decennia een andere. Vooralsnog neemt de markt alleen maar meer ruimte en trekt de overheid zich alleen maar verder terug, een ontwikkeling die de PvdA tot dusver niet heeft kunnen keren – integendeel, onder Kok hebben we enthousiast aan meegedaan. Ik vraag mij af welke gedachte utopischer is: het BI-stelsel of de hoop dat een door de sociaal-democraten gewenst eerlijk en sociaal stelsel binnen een neoliberale krachtenveld mogelijk en vooral houdbaar is.

    Ten slotte, we leven in de 21e eeuw en allang niet meer in de 20e. Het is de hoogste tijd voor een toekomstvisie, waarin bestaanszekerheid (lees: inkomenszekerheid) voorop moet staan, naast duurzaamheid (het BI-stelsel wordt terecht vaak gekoppeld aan een circulaire, duurzame economie) en mondialisering (van handel tot migratie). De PvdA kan zich niet permitteren in ‘oude vormen en gedachten’ te blijven hangen. De sociaal-democratie is een levende, dynamische ideologie, die zich dus aan de tijd moet aanpassen.

  • Harm Hofman

    Ik kan me grotendeels vinden in het betoog van Ed Groot en
    zie ook geen toegevoegde waarde in landelijke wetgeving voor een
    (voorwaardelijk) basisinkomen. Problemen rond structurele krimp in werkgelegenheid lijkt reëler door automatisering, robotisering
    en wellicht meer nog door toename van arbeidsaanbod in derde wereld landen die met
    nieuwe middelen steeds productiever worden (iets wat we moeten toejuichen
    vanuit ontwikkelingswerk). Dus iets meer urgentie dan Ede Groot ten toon spreid
    lijkt gewenst.

    Daarbij lijkt een decentrale benadering effectiever dan
    landelijke wetgeving voor basisinkomen; wat
    voor creatieve oplossingen daar dan ook uitkomen. Basis voor evolutie is biodiversiteit.
    Lijkt me goed uitgangspunt. Komen we misschien
    eens af van grootschalige missers met enquêtecommissies en belangrijker nog we
    krijgen eens echt democratie met betrokken burgers op lokaal niveau.

    Dan moet daar wel de ruimte voor komen, iets wat nu vaak om
    zeep wordt geholpen door landelijke en EU wetgeving. De PvdA geeft in deze de
    markt veel meer mogelijkheden dan de democratie en de burger (heeft sterk neoliberale
    trekken). Verhalen uit van Waarde bevestigen in deze hetgeen we al wisten maar komt niet met structurele
    oplossingen.

    Het zou goed zijn de discussie en studie voort te zetten rond
    voorwaarden die nodig zijn om de lokale democratie in te zetten rond dit en ook
    andere items. Vanuit duurzaamheid is hierover al een aanzet te gemaakt ( http://duurzaam.productie.pvda.nl/wp-content/uploads/sites/470/2015/08/Duurzaam-economie-en-sociaaldemocratie.pdf
    o.a. blz. 30 t/m 34) maar daarin zijn
    ook aansluitingen gemaakt naar lokale werkgelegenheid met aanknopingspunten voor wat landelijk moet gebeuren
    om lokaal beter te laten functioneren. Er wordt gepleit voor naast een WMO-loket een duurzaamheid
    ofwel WMD-loket. Dat kan breder. Er wordt in deze ook in andere werkgroepen
    nagedacht over bestaanszekerheid.

    Van Rijn steekt met zijn moeilijke taak met kop en schouders
    uit boven de rest van het kabinet. Ik denk dat we verder moeten op die decentraliseringlijn,
    maar dan graag wel op tijd zodat niet meteen een bezuinigingsronde nodig is.
    Dat structureel werken aan de basis werkt m.i. beter dan de verhalen van Asscher
    of interviews met mensen die het slecht hebben, al moet je daar natuurlijk wel
    wat aan doen. Maar dan structureel en niet op basis van incidenten.

  • https://twitter.com/Matthijs85 Matthijs

    Het basisinkomen is een simpeler, eerlijker en zal ons bevrijden van het huidige beknellende sociale stelsel, dat gebaseerd is op bureaucratie, controles en wantrouwen:
    http://www.socialevraagstukken.nl/hoogste-tijd-voor-een-experiment-met-het-basisinkomen/