Dienstencheques: een vraagstuk van erkenning

1

Aan de invoering van de Belgische dienstencheques ging in 2003 een intens debat vooraf. Hoogoplopende meningsverschillen binnen de regering-Verhofstadt II werden pas beslecht nadat ik dreigde mijn portefeuille als minister van Werk ter beschikking te stellen. Opmerkelijk genoeg werd het stelsel van de dienstencheques, waarvoor enkele taboes moesten sneuvelen, in de jaren die volgden een heilige koe. Inmiddels verdedigen de criticasters van destijds de cheques eveneens met verve. Toen ik in 2010 opperde dat het tijd werd om de prijs te verhogen, stuitte ik op een muur van verontwaardiging. Hoewel de prijs voor de overheid intussen wel degelijk verhoogd is, was de politieke weerstand tegen ingrepen in het populaire systeem groot.

Het stelsel van de dienstencheques was nooit bedoeld als perfect en probleemloos schema. Ik beschouwde het als een poging om een antwoord te bieden op een door politiek wetenschappers Torben Iversen en Anne Wren geformuleerd trilemma.1 Welvaartstaten konden volgens hen niet tegelijkertijd:

  • meer werkgelegenheid creëren;
  • een rechtvaardige loonspanning handhaven; en
  • de overheidsuitgaven beheersen.

Men zag zich dus gesteld voor een trilemma. Meer werkgelegenheid veronderstelde im- mers meer jobs in de dienstensector. Juist daar is de scheiding tussen hoogbetaald — financiële sector en consultancy — en laagbetaald — horeca en schoonmaak — erg groot. Wie meer werkgelegenheid nastreeft in de private dienstensector en de overheidsuitgaven laag wil houden, zal dus een groeiende loonongelijkheid moeten aanvaarden.

Klik hier om het volledige artikel te downloaden.

Delen.

Over de auteur

Frank Vandenbroucke

Frank Vandenbroucke was minister in Belgische regeringen en is nu verbonden aan de Universiteit van Leuven, Antwerpen en Amsterdam. Tevens bekleedt hij de Den-Uyl leerstoel aan de UvA.

  • Janneke

    Aan de ene kant lijkt een systeem van dienstencheques mij een goede korte termijn oplossing om misstanden (zwart werk, beperkte sociale zekerheid) in de schoonmaak en andere persoonlijke dienstverlening op de lossen. Aan de andere kant geeft het geen (júíst geen) antwoord op wat mij betreft de onderliggende vraag is: Hoe gaan we ervoor zorgen dat mensen het normaal gaan vinden dat een schoonmaakster nu eenmaal 22 euro per uur kost?

    Monika Sie verwees in haar Den Uyl lezing ook naar dienstencheques en de kansen binnen de diensteneconomie voor werkgelegenheid (ik parafraseer het voorbeeld: Liever twee keer dan drie keer per jaar op vakantie zodat je iemand kan aannemen die je huis schoonmaakt/je administratie doet). Dit vergt een cultuuromslag, maar die cultuuromslag zou wat mij betreft als eerste moeten zijn: Liever twee keer dan drie keer per jaar op vakantie, maar dan wel de schoonmaakster die je al hebt fatsoenlijk betalen.

    Een systeem van dienstencheques kan er juist aan bijdragen dat mensen blind blijven voor de (geld)waarde van werk: “Waarom zou ik jou, loodgieter/verhuisjongen/laminaatlegger zo veel moeten betalen? Mijn schoonmaakster kost toch ook maar 10 euro per uur?”. Dat lijkt me juist een averechts effect.

    Dus hoe zouden we én betere sociale zekerheid voor deze groep kunnen regelen, én ervoor zorgen dat we weer gewoon de (geld)waarde van diensten kennen en bereid zijn dat ook te betalen?